halvezool
Uiterlijk
- hal·ve·zool
enkelvoud | meervoud | |
---|---|---|
naamwoord | halvezool | halvezolen |
verkleinwoord | halvezooltje | halvezooltjes |
- stuk leer of rubber dat alleen onder het voorste deel van de schoen bevestigd wordt (als gedeeltelijk herstel)
In het Surinaams-Nederlands gebruikt voor elke versteviging onder de schoenzool.
de halvezool m
- (scheldwoord) iemand die door vreemd gedrag bezigheden van anderen verstoort
vervoeging van |
---|
halvezolen |
halvezool
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halvezolen
- Ik halvezool.
- gebiedende wijs van halvezolen
- Halvezool!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halvezolen
- Halvezool je?
- Het woord 'halvezool' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ halvezool op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron
Marc de Coster“Halve zool” (08 december 2005) op marcdecoster.blogspot.com - ↑
Weblink bron
Laura van Eerten“Hoe is de scheldnaam 'halvezool' ontstaan” (17 maart 2016), Instituut voor de Nederlandse taal op ivdnt.org
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Scheldwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal